Overweldigend zijn in de kleinste stiltes, het is een paradoxale kunst die Sigur Rós op hun nieuwste werk in perfectie beheerst. Valtari laat een terugkeer horen naar de vroegere kalmte van de IJslandse band. Maar tegelijkertijd verken je als luisteraar compleet nieuwe gebieden, waarvan alleen Sigur Rós de geheime kaart in haar bezit lijkt te hebben. Zo herkenbaar als het geluid op iedere en ook deze plaat is, zo verwonderlijk zijn de nieuwe hemelse hoogten die de band laat horen.
Die worden in het eerste nummer `Eg anda` al heel snel bereikt als het gerenommeerde koor The Sixteen de plaat inluidt en ook op de rest van Valtari de muziek af en toe vleugels geeft. Een nummer als `Varúð` is daarbij zo majestueus dat het haast lijkt alsof een immense kathedraal de enige plek is waar afspelen recht zou doen aan de grootsheid ervan. De vocalen van Jónsi klinken etherischer dan ooit tevoren terwijl muzikaal alles, op enkele voorzichtige uitbarstingen na, nog verfijnder en gedoseerder is. Het album lijkt daarmee misschien rustiger en meer ingetogen, maar komt na een paar keer luisteren des te intenser binnen. De elektronische, rechtlijnige beats die halverwege `Rembihnútur` opduiken zijn wat dat betreft ook haast een verlossing uit die bij tijd en wijle overrompelende rust. Het proberen te duiden van wat Valatri opnieuw zo¿n prachtplaat zou nog drie pagina¿s door kunnen gaan, maar eigenlijk is een luisterbeurt voldoende om nooit meer weg te willen uit de droomwereld die Valtari is.
Trailer van de week: Best Kept Secret Festival Agenda